Systeemeisen voor de nulteruglevering
De volgende hardware-componenten moeten in een bestaande zonnestroominstallatie met energieopslag bij nulteruglevering aanwezig zijn:
Gebruik van de aanwezige zonnestroomomvormer. Daarbij kan een willekeurige zonnestroomomvormer worden gebruikt.
Extra contactor voor regeling van de zonnestroomomvormer
Sunny Island x.0H (vanaf firmwareversie 3.30.12.R). Daarbij moet erop worden gelet, dat het maximale AC-vermogen van de zonnestroomomvormer kleiner of maximaal gelijk is aan het nominale vermogen van de gebruikte batterij-omvormer.
Compatibel energieopslag
SMA Energy Meter (EMETER-20) / SMA Energy Meter CT (EM-1CT63A-21, EM-3CT63A-21) oder Sunny Home Manager 2.0 (vanaf firmwareversie 2.6.6.R)
Aanwijzing: de SMA Energy Meter dient voor de visualisering van installatiegegevens, bij zonnestroomomvormers van derde aanbieders.
Om een elektrisch voertuig met zonnestroom te laden, moet u de installatie met de SMA eCharger uitbreiden (zie handleiding van het product).
Voer de parameterinstellingen afhankelijk van de componenten uit ( > Meetwaarden op het netaansluitpunt instellen).
Installatie van een contactor voor de regeling van de zonnestroomomvormer
In de Sunny Island is een multifunctioneel relais geïntegreerd, dat de zonnestroomomvormer via een contactor in- en uitschakelen kan. De contactor moet bovendien worden geïnstalleerd.

Schakelschema voor de installatie met oplossing 3
Eisen aan de extra installaties:
Contactor met 2 maakcontacten: 230 VAC, 32 A, 2 x S
De contactor moet op de aansluitingen Relais 1 en Relais 2 in Sunny Island worden aangesloten. Daarbij worden de contacten C en NC plus C en NO in serieschakeling gebruikt. Voor informatie over de kabelspecificaties en de procedure bij de installatie, zie de handleiding van de product.
Eisen aan een eenfasig systeem met Sunny Island:
Een eenfasig systeem met een Sunny Island wordt alleen voor optimalisering van het eigen verbruik toegepast, niet als noodstroomsysteem.
Aanpassing van de parameters in de gebruikersinterface van de batterij-omvormer
Aanpassing van de parameters voor de schakelgrenzen
Om te zorgen dat de Sunny Island de zonnestroomomvormer betrouwbaar kan regelen, moeten op de gebruikersinterface in Sunny Island de volgende parameters in de parametergroep Apparaat > lastuitschakeling 1 worden aangepast.
Uitschakeling van de zonnestroomomvormer; voor relais 1 grenswaarde laadtoestand van de batterij voor stop ontlastingsrelais 1: 85% van de laadtoestand
Inschakeling van de zonnestroomomvormer; voor relais 1 grenswaarde laadtoestand van de batterij voor start ontlastingsrelais 1: 75% van de laadtoestand
Relais 2 wordt gesloten, wanneer Sunny Island in bedrijf is.
Relais 2 wordt geopend, wanneer de Sunny Island is uitgeschakeld, op stop is gezet of een fout signaleert.
Aanpassing van de landspecifieke gegevensrecord
De actuele landspecifieke gegevensrecord voor de installatie moet worden gekozen. Daarbij moet de installatie als OnGrid-installatie met eigenverbruik zijn geconfigureerd.
De procedure voor het wijzigen van de instellingen op de gebruikersinterface van de Sunny Island vindt u in de handleiding van de het product.
Uitval communicatie tussen Sunny Island en Energie Meter of Sunny Home Manager 2.0
Wanneer de communicatie tussen Sunny Island en SMA Energy Meter of Sunny Home Manager 2.0 wordt onderbroken, stopt de Sunny Island na een bepaalde tijd en beide multifunctioneel relais schakelen in de rusttoestand. Als consequentie wordt het bedrijf van de zonnestroomomvormer ook gestopt.
De tijd voor het herkennen van een onderbreking van de communicatie is in de parametergroep Installatie- en apparaatbesturing via de apparaatparameter Communicatie timeout meetwaarderegistratie Energy Meter op netaansluitpunt instelbaar (1 tot 30 seconden, fabrieksinstelling: 2 seconden).
Zie hiervoor ook: