Installatie-eigenschappen


Installatie-eigenschappen

Toelichting

Installatie-eigenschappen

U kunt voor elke installatie een installatie-afbeelding toevoegen, welke wordt getoond in de installatie-eigenschappen en in het dashboard.

Installatiegegevens

De installatiegegevens zijn algemene gegevens met betrekking tot de zonnestroominstallatie. Hier kunnen bijv. de volgende gegevens worden gewijzigd:

  • Naam van de installatie

  • Inbedrijfstelling

  • CO₂-factor

  • Installatie met eigenverbruik

Gegevens exploitant en installateur

Specificaties betreffende exploitant en installateur van de installatie. Met behulp van deze informatie kan extra service zoals SMA Smart Connected worden aangeboden, of bij problemen contact worden opgenomen met de juiste personen.

Afhankelijk van het gekozen land kunnen de gegevens onder bepaalde omstandigheden aan een externe service-provider van SMA Solar Technology AG worden doorgegeven.

Locatie

Aan de hand van de locatie-informatie kunt u uw installatieportfolio beheren en krijgt u nauwkeurige weer- en vermogensprognoses.

Zonnepanelen

Wanneer in de installatie een PV-panelen aanwezig zijn, kunnen aan de hand van deze informatie vermogens- en opbrengstprognoses worden bepaald en een zo nauwkeurig mogelijke performance ratio (PR) worden berekend. Daarbij moet u de waarden in kW aangeven.

Voor een optimaal energiebeheer kunt u de modulevlakken van uw zonnestroominstallatie en de uitrichting en hoek daarvan opgeven. Daardoor kunnen verschillende uitrichtingen worden geconfigureerd en daarmee rekening worden gehouden. Voor de berekening van de Performance Ratio moeten alle PV-paneelsensoren voor zoninstraling en moduletemperatuur zijn geconfigureerd. Een sensor voor de buitentemperatuur kan als aanvulling worden aangesloten. Daarbij kunnen aanwezige lokale sensoren worden gebruikt of satellietgegevens.

Externe toegang

Hier wordt de toegang tot de installatie en de kwaliteit van de datacommunicatie geconfigureerd. De volgende configuraties zijn mogelijk:

  • Externe parametrering

  • Servicetoegang

  • Intensiteit van de datacommunicatie (hoog, gemiddeld, laag)

De servicetoegang wordt automatisch ingeschakeld, zodra de SMA Remote Service in de instellingen voor de installatiebewaking is geactiveerd.

Wanneer de externe parametrering wordt gedeactiveerd, kan dit alleen via de gebruikersinterface van de SMA Data Manager of de SMA-omvormer powered by ennexOS weer ongedaan worden gemaakt.

Installatiewachtwoord

Wijzig het installatiewachtwoord voor communicatie met de SMA-toestellen

Het nieuwe installatiewachtwoord wordt als wachtwoord voor de gebruikersrol "Installateur" naar de SMA-toestellen overgedragen. Als u het installatiewachtwoord al in de SMA-toestellen van de installatie heeft gewijzigd, voert u dit nieuwe wachtwoord in de velden "Oud installatiewachtwoord" en "Nieuw installatiewachtwoord" in.

Automatische updates

Alle update-compatibele SMA producten van de installatie kunnen automatische functie- en veiligheidsupdates ontvangen. De functie kan bij elk apparaat in de parameterlijst ook individueel worden ingesteld.

Speedwire-codering

Met het activeren van deze functie kunt u de veiligheid van uw installatie verhogen.

Met de Speedwire-codering heeft u de mogelijkheid om het lokale SMA installatienetwerk met SEC (SMA Speedwire Encrypted Communication) veilig te coderen, zodat dit wordt beschermd tegen onbevoegde toegang.

De Speedwire-codering kan alleen worden geactiveerd, wanneer alle toestellen in de installatie SEC ondersteunen. Hier kunt u de Speedwire-codering van de installatie activeren of deactiveren.

Profielen voor datacommunicatie

Om de intensiteit van de datacommunicatie in de installatie te sturen, staan verschillende profielen ter beschikking. De profielen kunnen te allen tijd in de installatie-eigenschappen in Sunny Portal worden gewijzigd, om de intensiteit aan te passen. Let er daarbij op, dat lacunes in de gegevens uit het verleden niet naderhand worden gesloten, wanneer van een lagere naar een hogere intensiteit wordt gewisseld. De aanpassing geldt vanaf het tijdstip van de verandering. De volgende profielen kunnen voor de datacommunicatie worden gekozen:

  1. Hoog (fabrieksinstelling): apparaten zenden met een cyclus van 5 minuten alle relevante gegevens naar Sunny Portal.
  2. Middel: apparaten zenden met een cyclus van 15 minuten alle relevante gegevens naar Sunny Portal.
  3. Laag: apparaten zenden 6 keer per dag de belangrijkste gegevens aan Sunny Portal.